‘Schrijven is niet een stijl, schrijven is een atmosfeer.’ Met deze zin sluit Snijders het ZKV Andrej Kolosow (Vijf bijlen,
p. 197) af – na even laconiek als overtuigend te hebben aangetoond dat
het eigene van een verhaal niet zit in de plot (die teruggebracht tot
het vleesloze skelet nogal lullig overkomt), maar in de manier waarop
de schrijver dit skelet ‘aankleedt’. Of, zoals Elsschot in zijn
beroemde Inleiding tot Kaas schrijft, ‘met stijl besmeert’.
Frappant is dat Elsschot het heeft over ‘stijl’, waar Snijders
schrijven juist expliciet ‘niet een stijl’ noemt, maar een atmosfeer.
Toch denk ik dat beiden hetzelfde bedoelen: door de eigen
karakteristieke stijl op het skelet te smeren, creëert de schrijver de
unieke atmosfeer, die maakt dat je hem ‘mag’, dan wel ‘waardeert’ - of
juist niet. Snijders weet zo’n atmosfeer te creëren. Wie benijdt niet
heimelijk deze vrije geest, die altijd in of rond zijn afgelegen
boerderij aan het schilderen, zagen, kappen of lassen is, of bezig met
de reparatie van zijn kippenhok, na het zoveelste bezoek van vos of
ulk? De man met zijn schier eindeloze verzameling interessante boeken,
waaruit hij graag en vaak citeert, zonder ook maar een moment te
vervelen of belerend over te komen.
Vijf bijlen in Sofia (foto Martin Lamboo)
De
man die deze citaten subtiel weet in te vlechten in een ZKV, door ze te
koppelen aan een inval, een losse gedachte, een jeugdherinnering, of
een recent voorval op de parkeerplaats van de lokale Lidl. We houden
allen van Snijders zoals hij uit deze ZKV's naar voren komt, zijn
laconieke levenshouding, wars van elk fanatisme of geestdrijverij, zijn
ironie, zijn humor. We verkneukelen ons over het gezicht van de
kritische onderwijsambtenaar, die hem bezorgd vraagt of hij ook wel
eens positief over onderwijs schrijft. Snijders leest hem een korte
notitie voor. ‘De man vroeg wat hier nou positief aan was. Dat ik wel
wist wie Bloem was, zei ik.’ Of, als hij tijdens een lezing heeft
gerefereerd aan de 140.000 verkochte exemplaren (een ‘niet te bevatten
godswonder’) van Tommy Wierenga’s Joe Speedboot: ‘Ik las “Auto” voor uit Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk
– konden de mensen ook eens horen hoe het klinkt uit een boek waar er
1500 van verkocht zijn.’ We worden een merkwaardig, ongrijpbaar gevoel
van klein geluk gewaar bij het lezen van zinnen als: ‘Na een uur was de
trein gerepareerd, en de mensen die hem door het land zagen rijden,
wisten niet dat hij kapot was geweest.’ Of: ‘Hij verontschuldigt zich
voor de brief, die hij heeft geschreven op de wieken van een gerucht.’
En - vooruit - nog eentje: ‘Nee, geen verandering, ik wil hetzelfde
horen, hetzelfde getrommel uit het dal.’ Dat laatste is wat de lezer
ook van Snijders verlangt: hetzelfde getrommel uit het dal, 666
pagina’s lang en geen moment vervelend. Het is de atmosfeer die
intrigeert en waar je als Snijdersliefhebber liefst zo lang mogelijk in
wilt vertoeven.